Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onafgebroken tableau van menschelijke ontoereikendheid te zien, waarvan de tragische werking als het ware wordt verscherpt door den twijfel en de vertwijfeling der betrokkenen. De auteur staat tegenover zijn schepselen óf hartstochtelijk meelevend, óf afzijdig-critisch, naar den geest des tijds, waarvan zijn geest de weerspiegeling is.

De oude zelfmisleiding, het zich noemende idealisme, is daarmee voorgoed afgezakt naar den preekstoel en het Zaterdagavond-artikel, naar stadsvoogden en proosten, de vertegenwoordigers der collectiviteiten, die het Ibsen's „Brand" zoo zuur maken, het voelt zich nog steeds volkomen thuis tusschen de „practische inzichten" en is koek-en-ei met het gezonde verstand der betrokken „idealisten". Deze behooren niet tot de sfeer, waarin denkers en kunstenaars geboren worden. En zelfs het nieuwe, vooral m den aanvang zoo trouwhartige „collectieve idealisme", dat de negentiende eeuw heeft voortgebracht, het idealisme van de socialistische collectiviteit, 'twelk „Le Cid" in werkmansplunje aan de litteratuur heeft gegeven — want alle litteratuur van collectieve „idealen", die collectieve belangen zijn, kent maar één enkel type van held: Le Cid — heeft het zonder waarlijk groote, critische kunstenaars en denkers moeten stellen.

Wat door Lessing en Schiller werd begonnen, wordt door Hebbel en Ibsen voortgezet. Goethe verhoudt zich, naar we zagen, ten opzichte van het onderhavige vraagstuk, geheel anders.

Hebbers „Judith" is de voltooiing, de consequentie van „Emilia Galotti", een consequentie, waarvan Lessing zelf wellicht, als steeds menschen van de uiterste consequenties hunner eigen waardebepalingen, teruggeschrikt zou zijn. Op dezelfde wijze is Ibsen's „Brand" de voltooiing van Lessing's „Odoardo Galotti" en van Schiller's „Vettina".

Sluiten