Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ibsen's „Julianus de Apostaat" is in aanleg volkomen dezelfde als Schiller's „Fiesco".

In al deze figuren leeft een streven naar hoogere doeleinden boven het klein-persoordijke uit en allen falen ze, aan de van hunne menschelijkheid, van ons aller menschelijkheid, onafscheidelijke tekorten. Schier altijd en overal zal het besef van dat tekort in den aanvang het karakter aannemen van een besef van „zedelijken schuld" in zichzelf en in anderen. Van alle „dogmatisme" is zeker het dogma van de wilsvrijheid het taaist ingeroest. Dat dogma waarachtig prijs te geven, beduidt zelf-prijsgeving, die zelfopheffing is, daarom geeft dan ook niemand het eigenlijk prijs, zelfs de allerredelijkste alleen bij momenten; het is het dogmatisme waarin we het vaakst en zelfs zonder het te bemerken, terugvallen. Maar de houding van den kunstenaar tegenover dien ,zedelijken schuld" zijner medemenschen is wel aanmerkelijk veranderd — hij voelt die immers als eigen schuld, en voor den ouden „heiligen" afschuw is dUs een. innig meegevoel in de plaats getreden. Doch het gevoel van „schuld" blijft zich koppelen aan het gevoel van „tekort" en brengt voor den kunstenaar en voor zijn schepselen boete, berouw en zelfverwijt noodzakelijkerwijs met zich. Duidelijk onderscheiden we de opvatting van „tekort" als „schuld" in de litteratuur en we willen die opvatting kenmerken als het

Eerstethema.

Om Holofornes te dooden, den geweldenaar, wreed en belager van haar Volk, begeeft zich Judith naar zijn kamp — en de vrouw in haar wordt door den man overwonnen en door de rauwe grootheid van hem, die haar vijand moest zijn, geïmponeerd. Zóó voorvoelde het Emilia Galotti -—dat ze niet „overweldigd" zou worden, als de flauwvallende

Sluiten