Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maagd uit de oude litteratuur, maar bekoord, verleidt Judith gaat onder in Holofernes' omhelzing — weliswaar herneemt ze zich ©ogenblikkelijk, ze kan den man, die zich aan haar menschelijkheid en aan haar maagdelijkheid vergreep, wel haten en uit dien haat haar daad volbrengen, maar die daad is dan de Daad, waarop ze uittoog, niet meer. Niet om haar Volk doodde ze hem, maar omdat hij haar op zoo wreede wijze aan zichzelf ontdekte — ze ruimt den getuige, de herinnering, de realiteit van haar eigen val uit den weg. Het volk juicht, als ze optreedt met het afgehouwen hoofd — het volk is de collectiviteit, die resultaten weegt en geen motieven — Judith alleen voelt dat ze een nederlaag leed en van het hoogste niets heeft volbracht,

Hebbel's wezen als dichter en denker staat ons borg, dat Judith's nederlaag niet als een toevallige misstap van een toevallige vrouw moet worden aangemerkt. Wat geeft hij niet herhaaldelijk in zijn dagboeken uiting aan zijn minachting voor de „aangekleede anecdote", met hoeveel klem stelt hij niet den eisch, dat elk drama de verhouding van mensch en wereld tegenover de alomvattende Idee tot -onderwerp hebbel

Hoe ver zijn we hier dan verwijderd van den geest der zeventiende eeuw — denken we aan Corneille's „Cinna" — die geen motieven van daden scheiden kan en niet aarzelt een gelukkig resultaat toe te juichen, zonder aanzien der beweegredenen, in een voortdurende verwarring van persoonlijke ambitie en collectief idealisme. Hoe ver ook van het schier kinderlijk geloof in de menschelijke natuur, het geloof in zuivere motieven, dat nog uit Shelley's „Prometheus" tot ons spreekt. Schemering was het voorgevoel van de achttiende eeuw, bij het licht der zelferkenning, dat voor dit nieuwe geslacht is opgegaan.

Overal dezelfde ontoereikendheid, en het inzicht van1

Sluiten