Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

«igen ontoereikendheid, met twijfel en vertwijfeling als gevolg.

In de figuur van Julianus den Apostaat — door Hebbel, blijkens zijn dagboek, gedroomd, door Ibsen volledig en veelzijdig uitgebeeld — komt Schiller's „Fiesco" tot volle ontplooiing. Ook in hem gaat, in de voorstelling van Ibsen, het ideaal ten onder door de eerzucht, aangewakkerd door toeval en raad, ook hij, als Fiesco, vleit en misleidt zichzelven dat hij, als eenmaal Marcus Aurelius, keizerlijke macht zal weten te vereenigen met de rechtvaardigheid, de wijsheid, de onpartijdigheid van den denker. Fiesco beleefde zijn overigens onvermijdelijken nederlaag niet, door den vroegtijdigen dood, dien hem Vettina aandeed, maar Julianus beleeft dien ondergang wel, als het geloofsfanatisme der Christenen, hun onverbiddelijk „voor ons of tegen ons" hem tot hun alverwoeder vijand maakt, totdat dan eindelijk het beroemde stervenswoord, wanneer hem de soldaat Agathon in naam van den Christus verslaat — „Overwonnen hebt Gij, o Gahleeër" — dien ondergang bezegelt. Maar dit geloofsfanatisme, dit dringend „voor ons of tegen ons" is geen toeval, uit het toevallig daar-zijn van een militant Christendom geboren, het is het leven zelf, dat immer, dat elk oogenblik „voor" of „tegen" eischt en den droom van een heerschend wijze tot een illusie maakt. Of zouden we niet sceptisch mogen staan tegenover wat ons van Marcus Aurelius en andere heerschende wijzen wordt verhaald, waar we weten hoezeer de onder absolutisme zuchtende achttiende-eeuwer, het parlementarisme en de republiek heeft verheerlijkt — en hoe weinig voor het levende moderne rechtsgevoel absolutisme van parlementarisme verschilt? ■

Jarl Skule, in Ibsen's „Kroonpretendenten", durft naar Haakon's kroon niet staan, schoon Haakon's koninklijke

Sluiten