Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geboorte niet bewezen is, twijfel houdt hem terug, het besef van eigen innerlijke ontoereikendheid — dezelfde ontoereikendheid, die Rosmer in zichzelven speurt, het besef waarvan hem zijn levenskracht rooft en hem met Rebecca

tezamen — die ook het hoogste wilde en ook faalde in

het water drijft.

Is „Solness" niet het symbool van den mensch, die nimmer tot de hoogte van zijn eigen illusies reikt en in de poging afstort en omkomt?

Koning Kandaules — in Hebbers „Gyges und sein Ring", wil meer dan zijn voorgangers zijn, om een andere waarde gekend worden dan die in munt en zwaard en diadeem is uitgedrukt, bij wil een „gekroonde realiteit", geen „ge-* kroonde fictie" wezen. Datgene wat den Vorst in de collectiviteit volkomen bevredigt — we zagen het indertijd bij de vergelijking tusschen Lodewijk XIV en Napoleon. — waarvoor hij zelf in aanbidding ligt, wijst deze Koning af: „zu gelten, wie gepragte Münze gelten, und mit den Statuen, die in geweihten Tempehtischen. stehn, die schnöde Unverletzlichkeit zu teilen" — maar dezelfde fiere individualist kan zijn geluk als man niet alleen dragen, hij heeft andermans oogen van noode om zijn eigen oogen te gelooven en haalt aldus Gyges over tot de misdaad, die slechts met zijn dood gezoend kan worden. „Ich brauche einen Zeugen, dasz ich nicht ein eitler Thor bin, der sich selbst belügt, wenn er sich rühmt, das schönste Weib zu kussen, und dazu wahl ich dich."

Brand — in Ibsen's drama van dien naam — is de man die alles, zichzelf en anderen, offerde aan de zuiverheid van zijn beginsel en die zich eindelijk, ten doode toe afgefolterd* ten bloedens toe gepijnigd, terwijl hem de lawine begraaft, uit de wolken het „Deus caritatis" hoort toeroepen, als met de stem van zijn eigen laatgerijpte inzicht, dat hij de wetten

Sluiten