Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaat? Is niet overal het „slechte", waar het leven is, product en projectie van dat leven, dat leven-zelf?

Welke vastheid, grondslag, richtsnoer blijft er voor het geslacht, dat aldus zijn oude dogma's, zijn oude gesteldheden en stelligheden als nevelen ziet optrekken in de klaarheid van een aldoordringend Besef? Welken weg moet hij inslaan, waar „goed" tot kwaad leidt en „kwaad" tot goed, waar elke poging faalt, alle streven zich tegen zichzelf keert en alles uitmondt in misdrijf, boete en berouw? Als ten antwoord op deze bewust of onbewust alom gestelde vraag, zien we overal in de litteratuur van de negentiende eeuw den „categorischen imperatief' als grondslag van het zedelijk handelen gegeven — den trouw aan het eensgevormde voornemen, den immanent en rechtsgrondslag van het „hier sta ik, en kan niet anders", ongeacht de gevolgen en uitwerkselen.

In Hebbels dagboeken vinden we onder vele andere plannen en projecten van dezen eeuwig-bezigen geest een thema voor een drama: het meisje en de Duivel. Een meisje heeft den Duivel liefgekregen, toen hij haar als schuldeloos en schoon jonkman verscheen. Openbaart hij zich later aan haar als Duivel, incarnatie van het slechte, dan keert ze zich niet — als in elke middeleeuwsche duvelrij, waarin hetzelfde motief immers zoo vaak is gebruikt, ter leering en stichting! — vol walging van hem af, maar blijft haar liefde en zichzelf getrouw en wil hem volgen tot in de hel. Door die daad verwerpt ze dan meteen den Hemel. Dus daarin zou dan — want voor Hebbel is ook dit geen „geval" maar „Idee" — voor den mensch een weg tot uitkomst zijn, dat hij getrouw zij aan zichzelf en aan zijn liefde, de uitkomst ongeacht. Maar als die „hel" zich realiseert tot misdaad — zooals voor Peter Skule („De Kroonpretendenten") die in zijn vader gelooft, die zijn vader

Sluiten