Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen aan contrast met ander bestaan realiteit van relatie ontleent.

Daarom verlangt de geweldenaar Holofernes (in Hebbel's „Judith") somwijlen naar een ander geweldenaar tegenover zich en voelt zich eenzaam in de stilte van bang ontzag, die zijn wreedheid en koele kracht rondom hem schiepen, waarin hij is alleen, boven de collectieve zede en de collectieve waardebepalingen eigen Heer en eigen rechter. Elk realiseert zich slechts aan eigen soort, aan wat tegelijk contrast is en complement, Kandaules zou nooit een slaaf of een soldaat in zijn vrouws slaapkamer verborgen hebben, de man, wiens niet-bezitten aan zijn bezit realiteit moest geven, kon enkel de brillante Griek, kon enkel Gyges wezen! — en aan de krijgsknechten, die voor hem beven, realiseert geen Holofernes eigen waarde.

Daarom is het ook, dat Jarl Skule, om in zichzelf te kunnen gelooven, zoo verlangend uitziet naar iemand die hem zeggen kan, dat hij Hertog is, dat hij Koning is, opdat bij het zelf geloove, opdat hij het pas waarlijk zij. En als angst en twijfel hem nijpen, vraagt hij den skald: weet jij wel altijd dat je dichter bent? Want hij weet niet steeds dat hij koning is.' En hij wil den dichter bij zich houden, om zich aan hem van eigen bestaan te vergewissen, maar de skald kan niet blijven: een man sterft desnoods voor de gedachte van een ander, maar hij kan alleen leven voor zijn eigen gedachte. Dat is: voor het streven „zichzelf te zijn, dat dan tot eigen gewisheid, tot zelfrealisatie anderen weer van noode zal hebben!

Schuld en Noodlot vloeien tezamen tot Noodwendigheid. Geen Herakles-Jezus meer als het beeld van mogelijke volmaaktheid, geen beschonken Prometheus als symbool van een volmaaktheid, die had kunnen zijn, maar het eene Leven, dat geen „volmaaktheid" van „onvolmaaktheid"

Sluiten