Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kent en waarin alles Noodwendigheid is. Judas moest zijn Meester verraden, opdat het Woord (de Gedachte) vervuld (verwezenlijkt) zou worden. Wanneer zijn schim den jongen Julianus verschijnt (in „Keizer en Galileeër") als zijn eigen evenbeeld, met Kain, die zijn broeder sloeg, en met den Derde, onherkende, die hij zelf is, dan noemt zich dfie schim: „Het twaalfde Rad aan den Wereldwagen."

Golo (in „Genoveva") fchrnt op den toren, dien niemand ooit beklom zonder zich den hals te breken, wanneer het plan tot de misdaad in hem kiemt, en op dien toren biedt hij zich God ten offer aan Maar God neemt hem niet en laat hem leven, het levensgevaarlijke doorstaan, opdat er — zooals hij zelf het zegt — „een volleerde schurk uit hem groeie." Tot raderen aan zijn Wereldwagen heeft God schurken zoo goed als braven noodig, duister zoo goed als licht, nacht zoo goed als dag.

In dit Noodwendigheidsbesef, dat zich alom baanbreekt, worden „zedelijke schuld" en ..noodlot" opgeheven — schoon niet altijd nog dat dierbaarst en diepstgeworteld gevoelsdogmatisme van een „einddoel," tot menschelijke harmonie, naar menschelijken maatstaf. Dit treedt duidelijk in „Keizer en Galileeër" aan den dag als een laatste „troost", overblijfsel van de egocentrische, anthropocentrische levensbeschouwing, welke ten slotte niemand onzer werkelijk te boven komt, omdat ze ons aller levensgrondslag is.

Goethe, we zagen het, kon dezen troost ontberen. Het in hem vrijwel ontbreken van de „moral passion" — 't welk uit elke pagina van „Dichtung und Wahrheit" blijkt, zijn overwegend intellectualisme maakte den aanblik van*'s werelds structuur voor hem tot een zuiver genot, waarbuiten weinig te wenschen en te hopen viel. Zijn Mephisto-opvatting, zijn eerder-genoemde Lucifer-beschouwing toonen duidelijk dat hij „het Kwaad" aanvaardde

Sluiten