Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als de keerzijde van „het Goed" en op deze wijze met alle dingen vrede kon vinden.

Deze houding laat zich zoowel gevoelsverarming noemen als geestessuperioriteit — we zullen haar terugvinden bij het geslacht dat na de Romantiek opgroeit, doortrokken van den dogrnatisch-wetenschappelijken geest, die in Comte zoo sterk tot uiting komt.

Goethe's tijdgenooten — Schiller, Rousseau — deelden geenszins, we zagen het, in deze geestessuperioriteit of gevoelsverarming. In hen nam het idealisme den vorm aan van zedelijken voorkeur voor het „goede," en het dogmatisme van geloof en hoop bezat hen, door hun bestemming, sterker dan het intellectueel genot der voorkeurlooze aanschouwing.

De periode van den grooten geestelijken zelfinkeer, de opbloei van het wijsgeerig inzicht als openbaring van der Eenheid zelfherkenning in den mensch brengt ook van deze beide tegengestelde gemoedstoestanden de synthese, welke zich Zichtbaar ontplooit in een temperament dat dan tegelijk vol „moral passion" is als Rousseau en vol intellectualisme als Goethe.

Zulk een temperament is Hebbel.

Hoe anders, hoeveel meer met de levende roerselen van zijn wezen verweven, is in hem het totaliteitsbesef dan in Goethe, hoeveel meer was hij erdoor bezeten. Goethe wist de Eenheid en beleefde het totaliteitsgevoel als een rust — zuiver Spiniozistisch temperament als hij was.

Ook van Spinoza's wereldbeschouwing heeft men immers gezegd, dat zij een overmatig-eenzijdig accent legt op de samenvloeiing der verschijningsvormen in het Eene, dat Spinoza het andere moment van het totaliteitsprobleem — het altijd weer uit dat Eene als weggestooten worden en uiteenvallen — niet of nauwelijks heeft gerealiseerd. Zoo was

Sluiten