Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook voor Goethe de Totaliteit het groote centrum, waarin alles tot rust vervalt — de onuitgesproken maar onmiskenbare gedachte aan eerbied-afdwingende Majesteit is duidelijk de schaduw van het oude anthropomorphe Godsbeeld, waaraan ook de uitnemenden in dien tijd zich niet licht ontworstelden! — maar voor Hebbel was de Totaliteit vooral het groote brandpunt, van waaruit alle leven en beweging voortdurend ontspringt — een opvatting, waaraan natuurlijkerwijs dat gevoel van een eerbied-afdwingende Majesteit vreemd is. Goethe's geest weerspiegelt nog het | Spinozistische „God is de Rust," Hebbels geest reeds het Hegelische „God is Proces."

Daardoor voelt dan ook Goethe de Eenheid hoofdzakelijk in zoogeheeten „gewijde" oogenblikken, Hebbel daarentegen altijd door en in alles. Goethe gaat — het blijkt op elke bladzijde van „Wahrheit und Dichtung" — met genot en hartstocht in het afzonderlijke op, al zijn aesthetische voorschriften en uitlatingen getuigen van zijn belangstelling voor het „volle menschenleven" — Hebbels belangstelling echter is uitsluitend geconcentreerd op de verhouding van den afzonderlijken verschijningsvorm tot de Eene Idee. zooals duidelijk blijkt uit zijn definitie van wat een drama moet zijn, in het voorwoord van „Maria Magdalena."

„Das Drama, als die Spitze aller Kunst, soll den jedesmaligen Welt- und Menschenzustand in seinem Verhaltnis zur Idee, d. h. hier zu dem alles bedingenden sittlichen Zentrum, das wir im Weltorganismus schon seiner Selbsterhaltung wegen, annehmen müssen, veranschaulichen."

Het is dan ook te begrijpen, dat Hebbel Goethe's kunst, voorzoover ze aan dien eisch niet voldeed, onmogelijk waardeeren kon en dat met name de „Wahlverwandschaften" hem antipathiek moest zijn — zoodat de gedachte zich opdringt of niet toch, alle betuigingen van

Sluiten