Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerbied ten spijt, zijn scherpe uitlatingen tegen de „aangekleede anecdote" op het cerebrale, aprioristische karakter van het genoemde werk zijn gericht, dat toch ook immers waarlijk niet van binnen-uit is beleefd of waargemaakt.

Soortgelijke bezwaren voelde Hebbel tegenover Faust II, waarvan de afloop hem niet bevredigde, daar z ij n Noodwendigheidsbesef hem had geleerd, dat het hun, die naarhet Absolute streven, anders vergaat! Daarbij moest hem die afloop schier persoonlijk grieven, waar de geweldige ambities die den Faust van het eerste deel tot den vertegenwoordiger eener ontwakende menschheid, tot Hebbels eigen evenbeeld maken, in het eind worden voorgesteld alsde persoonlijke dwalingen en dwaasheden van het eerste het beste individu, dat zich dan in het eind zijner dagen met „einem mit Katechismusfiguren bemaken Bretterverschlag*' tevreden stelt!

Totaliteitsbesef, Noodwendigheidsbesef, voor Goethe een „inzicht", is in Hebbel pas tot levende, zich immeropdringende, bijkans kwellende werkelijkheid gegroeid. Zijn dagboeken loopen over van filosofische overdenkingen, die men bedien misschien „Hegelisch" zou noemen, gepaard aan heftige uitlatingen tegen de abstracte filosofie, die bij waardeloos acht naast de veraanschouwelijkte filosofie, welke voor hem het ideale drama zou zijn. En soms vraagt men zich af, of zijn hardnekkig verzwijgen van den naam Hegel — hij vermeldt in zijn dagboek van het cholera-jaar 1836 Hegels overlijden aan de ziekte zelfs niet en dat van ettelijke anderen wel! — misschien niet voortkomt uit hetzelfde gevoel, waarom wellicht Goethe van Kant niet weten wilde: den afkeer van den oorspronkelijken geest omtegenover tijdgenoot en nageslacht den schijn op zich te laden, als had hij van den „beroeps-filosoof" iets te leeren gehad.

Sluiten