Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wreken, onrecht begaat, om onrecht te straffen, uittrekt om Apostel en Wreker te zijn, en terugkeert als misdadiger. Maar een vonnis verdient die misdadiger niet — slechts een zachtzinnig medelijden om zijn verblinding en zijn teleurstelling, om zijn leven, dat ongenoten bleef en in nutteloos pogen werd verdaan.

Zoo ziet de Humor, zoo ziet Anatole France Prometheus vereenzelvigd met Orestes — maar hij zendt geen Furiën op hem af. Hij zendt op niemand Furiën af, hij wil niet meer dan belangstellend toeschouwer wezen. In het theater des levens zit hij op zijn stalles-plaats en suist er boven zijn hoofd de rotte appel van een verontwaardigd schellinkjesklant naar den Verrader, dan kijkt hij even naar boven en glimlacht weer, zachtzinnig. Als dien naïeven schellinkjesklant — zóó ziet hij Prometheus.

Zóó ziet hij Evariste Gamelin, den jongen schilder, den Revolutieheld in „Hes Dieux omt soif" — die den lijdenden en gekwelden Orestes afbeeldt met zijn eigen trekken, als in een duister voorgevoel van alles, waartoe zijn lotsbestemming hem drijven zal.

Duidelijk laten zich in betrekking tot deze figuur weer de drie kardinale vragen stellen, die we in ons hoofdstuk „Twijfel en Vertwijfeling" naar voren hebben gebracht:

Is de man goed?

Is de daad goed?

Is het resultaat goed?

Judith (in Hebbel's drama) toog uit tot een Prometheusdaad: Jupiter-Holofernes wilde ze dooden, om haar volk te verlossen — en ze faalde, omdat ze zich in haar dieper vrouwelijk gevoel door hem overweldigen liet — ze doodde, maar niet voor anderen, ze doodde tot eigen genoegdoening. Voor de met-onderscheidende collectiviteit blijft de daad waardevol, voor het zelf-orrderschddende individu is de daad

Sluiten