Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Anachansis Cloots, 1'orateur du genre humain, condarnné a mort par toutes les monarchies du monde, mais on devait tout craindre de lui, il était Prussien ...."

Tevergeefs verweren ze zich met hun dogmatische distincties tusschen „goed" en „boos" tegen het alles-opheffende, alles-weerleggende leven, voet voor voet wijken ze terug, tot hun terrein zich beperkt tot de „ligne rnince" — die een volkomen fictie is. De noodlottige tegenstrijdigheid, de dubbelzijdigheid, veelzijdigheid in alles, van alles wat ze aangrijpen, die ze ten slotte verbijstert, zoodat ze half-waanzinnig rond zich houwen, spoedig genoeg ook tot eigen zelfbehoud, veroordeelen om niet zelf te worden veroordeeld als „modéré", die tegenstrijdigheid heeft elk van hen, zonder het te weten, reeds uitgesproken in zijn ambtseed, toen bi} beloofde „d'étouffer dans son ame, au nom sacré de 1'humanité toute faiblesse humaine."

Gamelin is zijn eed getrouw. Geen enkele faiblesse — geen medelijden met onwetendheid, geen verteedering voor schoonheid, geen aarzeling tegenover onnoozelheid — laat hij zijn hart van Rechtvaardig Rechter binnentreden. Want dit zijn alle faiblesses — maar wat rest er de menschheid zonder haar faiblesses? — en de dag komt, dat hij, „les yeux fixés sur le buste de Brutus, qui dominait le tribunal", den man van zijn eenige zuster, dien zij hartstochtelijk liefheeft, als aristocraat ter dood veroordeelt.

Dan wendt zich het volk uit een grillig instinct, dat eiken dag iets anders begeert, van den „Kaïn" af — maar waarom? Deed hij niet zijn plicht? Hield hij niet zijn eed? „Je ne suis point parricide," zegt hij tot zichzelf, „au contraire, c'est par piété filiale que j'ai versé le sang impur." Het is volkomen waar, hij hield den eed, dien anderen hem oplegden, had hij dien niet gehouden, hij zou schuldig zijn geweest tegen de publieke zaak.

Sluiten