Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij hamert voortdurend op hetzelfde aambeeld — in „La Révolte" — m „Les Dieux", in „Jéróme Coignard" — altijd weer moet Jean Jacques en zijn misdadig optimisme het ontgelden —; komt hij eindelijk de wankele illusie der onpartijdigheid te boven, dan deinst hij toch weer voor de bezoedeling terug.

Een straffer zedemeester, gloeiend van „moral passion" — wit-gloeiend, zoodat hij onnoozelen en oppervlakkigen „koud" schijnt — toegerust met een alles-klievende intelligentie, met een genadeloozen werkehjkheidszin, moest opstaan, om zichzelf en anderen te leeren begrijpen, dat er evenmin als „wijsheid", „schuldeloosheid" voor den mensch is weggelegd — opstaan, om de Erfzonde te prediken als een formidabele werkelijkheid, de Erfzonde in haar moderne gedaante van gemeenschappelijke aansprakelijkheid in den gemeenschappehjken schuld — deze weldoener en zedemeester van het huidige geslacht is Shaw.

Sinds de dagen van het spectatoriale Christendom, sinds de dagen, dat het monster, door Milton gedroomd als „de Zonde" de wacht hield voor het paradijs der zelfondersoheiding en der zelferkenning, hebben zedemeesters van meer of minder kracht het inzicht dier gemeenschappelijke aansprakelijkheid voorbereid. Thackeray kon er zich niet aan verzadigen het maatschappelijk Christendom in zijn schijn-deugd, schijn-nederigfaeid, schijn-fatsoen te ontmaskeren en met de allerergste pretenties der Hooggeborenen den draak te steken. Maar hoe schijnen deze zachte klopjes tegen het „gepleisterd graf" der maatschappelijke samenleving kinderspel bij de mokerslagen van Shaw, die geen steen overeind laat! Ware het anders, men had den schrijver van „Vanity Fair" „cynisch" en „paradoxaal" genoemd, zoo goed als den schrijver van Mrs. Warren, in wiens gansche oeuvre geen enkele uiting van cynisme, geen enkele paradox te beken-

Promttheus. 46

Sluiten