Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vlakkige, vroolijke zorgeloosheid was voor het grootste deel van hem weg-gevallen; hij had nu buien van in zichzelf gekeerde somberheid, waaruit niets hem opwekken kon, niet het vriendelijk spel van zijn lievelingsdochtertje Cornélie, en niet zijn muziek.

Het voorgevallene met Jetje Robbrechts had hem indertijd sterk aangegrepen, en nooit had hjj het afscheid tusschen hen kunnen vergeten. Hij had niet kunnen berusten, en haar brief op brief geschreven; maar telkens opnieuw was haar antwoord afwijzend geweest. En wat hem het diepste had getroffen waren een paar zinsneden in haar laatsten brief: Als ik minder van je hield, Cornelius, dan zou ik toestemmen. Nü is mijn liefde volkomen zonder zelfzucht, en ik zeg: neen. Uit egoïsme zou ik „ja" kunnen zeggen, zou ik misschien gelukkig kunnen zijn, ondanks dat ik de schuld der ruïne was van je vroeger huiselijk leven, nu, zooals het is, nooit. En dan ... je hebt me niet lief, zooals ik liefgehad worden wil, met een volkomen liefde ...

En als hij alleen was, en in melancholische gepeinzen zich verdiepte, dan dacht hij, en hij zuchtte: Zij heeft niet in mij geloofd. Zij heeft ook niet in mij kunnen gelooven, omdat...

Ach ja, zijn geheele leven was immers het bewijs van zijn loszinnige geaardheid, hoe zou zij dan kunnen gelooven, dat het ditmaal ernst was bij hem? En toch, het was ernst, hoezeer had hij eerst begrepen na hun scheiding. Met het afscheid van haar was er iets weg-gescheurd

Sluiten