Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ga er dan maar alvast een uitzoeken, hoor. Om daarna de kleine, nooit „eenkennige" Cornélietje van Kaatje over te nemen, en het kleine meisje te koesteren, tot het kraaide op haar schoot.

Keetje zat met Annemarie, wier hoed en mantille door Kaatje waren aangenomen en weggebracht, op de canapé. Keetje naast Annemarie! Cornelius kon zich niet verzadigen aan dat gezicht; hij stond ernaar te kijken met de handen onder de panden van zijn lavendel-blauwen rok, zijn geheele gelaat zóó opgeleefd in warme vreugde, dat Aagje hem met verteedering gade-slaande, dacht: Wat is hij jong gebleven, Cornelius, hoe knap is hij nog, hoe vief, hoe vol leven...

Maar toen Cornelius in den kring was gezeten, en zijn trekken, na de opgewondenheid der eerste oogenblikken, weer tot rust waren gekomen, zag zij toch wel het verzilverde haar bij de slapen* en de diepe groeven, die de tijd had gekerfd in zgn glad gezicht, en het trieste neertrekken der mondhoeken als hij even niet sprak.., en ook Cornelius zag de groote veranderingen, die de onbarmhartige tijd aan zijn zusters wrochtte. Keetje en Aagje waren vrouwen van gevorderden leeftijd geworden; zij waren stemmig gekleed in zware zwarte zijde, en hun zorgvuldig in krulte» gekapte haar kon hun geen jeugdiger aanzien gevén. Keetje zat daar, in bleeke geresigneerdheid : het leven had haar alles gegeven en alles ontnomen... fijne rimpeltjes waaierden uit om haar oogen, en haar kleine strakke mond was bleek en droog. Haar handen hielden in haar

Sluiten