Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoot het kanten zakdoekje vast, en lagen zoo roerloos stil, alsof zij het al lang verleerd hadden zich in den opstand der zenuwen nerveus te bewegen. De geheele uitdrukking van haar gezicht met de wat opgetrokken oogen, met haar in vaag d├ędain wat opgetrokken neusvleugels, haar geheele houding van in stugheid haar gevoel beheerschende vrouw, duidde de gedesillusionneerde aan. En Aagje...

De oogen van Keetje hadden een doffe, ietwat starende expressie, die niet veel veranderde in het gesprek. Maar de oogen van Aagje hadden een zoekenden heimwee-blik, die hem diep ontroerde. Zulk een intens verlangen sprak er uit, zulk een hopeloos hopen, zulk een smart van vergeefsch verwachten. Haar jengd lag achter haar, haar leege, verdroomde jeugd, haar jeugd met onbevredigde wenschen, en ongestilden, steeds kwellenden honger naar iets van geluk...

Het ademen werd hem zwaar. Arme Keetje... arme, arme Aagje ...

En naast die beiden, die doode-levende vrouwen, zag hij zijn eigen vrouw, vol energieke, bloeiende kracht. En even kwam er een gevoel van dankbaarheid in hem op, omdat Annemarie niet verdord en verworden was; maar dadeljjk daarop overfloerste een droefheid zijn denken: zij kon toch gelukkiger zijn dan zij was, Annemarie; waarom wendde zij haar sterke vermogens tegen hem aan, in plaats van zich aan hem over te geven in zacht vertrouwen, en samen nog iets van geluk te genieten... Waarom die stage achterdocht, die harde afkeer ... Hij voelde zich-

Het gevleugelde Wiel. II. 3

Sluiten