Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tantelief! nu gij op heden Weer een jaar zijt ingetreden, Wensch ik u veel zegen toe; Moge welvaart n omringen En gij van Gods goedheön zingen, Dan leeft gij weer big te moe.

en zij was het, die ze haar in schoonschrift deed overschrijven op een groot vel glimwit papier met gouden krullen omrankt en met een kleurig plaatje versierd.

En zij was het, die lange wandelingen met Cornélietje maakte, omdat zij daar zooveel van hield en Keetje in 't geheel niet; die met het kind de kippen ging voeren, welke vrij los-liepen over de havens, die met haar lachte om bekende straat-typen, den mosterdman in zijn langen kiel, met zijn beide pot-emmers, of „gekken Giel," die zeker wel tien boezeroenen over elkander droeg; die met haar kijkjes nam in de verschillende deelen der stad, de straten, de havens, de singels en pleinen. Het was altijd overal druk en vol, want immers: de Rotterdammers zijn veel en doen veel op straat. En alom krioelde het van kinderen en wemelde het van kooplieden met kruiwagens.'En Aagje vond die wandelingen met haar pleegkind allergezelligst; nooit had zij geweten, hoeveel zij hield van haar stad, of liever, vaak verwonderde zij er zich over, dat zij het er ooit eenzaam en doodehjk eentonig had kunnen vinden, het was er zoo bont en levendig, zoo afwisselend en schilderachtig, dat zjj zich met Cornélie op straat nooit éen oogenblik verveelde.

Sluiten