Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— O, Moeder, zei hij, 't is zoo goed, dat ik nooit eigenlijk jong ben geweest. Daarom heb ik zoo bedachtzaam en rustig m'n plan kunnen vormen. Ik ben niet kinderachtig en driftig, ik wéét, dat me lange jaren van harde arbeid voor de boeg staan, dat ik met veel te kampen zal hebben en veel hinderpalen te overwinnen, — maar ik weet ook, dat ik 't nooit opgeven zal, dat ik eenmaal 'n geacht en aanzienlijk man worden zal, die medezeggingschap heeft in 't gemeentebestuur!

— Kind, zei Annemarie met een glimlach, loop je nu niet 'n beetje te hard van stapel?

Peter glimlachte ook, want die laatste woorden waren hem onwillekeurig ontsnapt.

— Nu ja, zei hij, dat is ook van later orde. 't Voornaamste voor mij op 't oogenblik is, dat ik m'n gang mag gaan. En dat ik de zekerheid heb, mettertijd m'n familie te kunnen toonen, dat ik óók 'n van Everden ben, en 'n van Everden, met wie ze rekening zullen hebben te houden.

Dat kleine kind, zei hij minachtend, Cornélie, neemt nü al de allures aan van die menschen bij wie ze in huis is. U had haar oogen moeten zien, toen ze me laatst bezig vond schoenen te poetsen. Ze keek of ze water zag branden. U kan duidelijk merken, hoe ze neerziet op alles hier in huis, hoe ze zich voor ons schaamt, 't nest.

— Och, zoo moet je niet spreken. Ik zie óok wel, dat ze zich hier niet thuis gevoelt, maar is 't 'n wonder? Ik geloof niet, dat de tantes kwaad van ons spreken, en Cornélie opzetten,

Sluiten