Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zoon van Uw neef Alexander Berghem, die tegen wijlen Uw geëerde moeder, Johanna Berghem, tante zeggen moest. Mij vleiende met de hoop, dat deze familie-relatie U moge nopen, mij welwillend toe te staan, persoonlijk kennis met U te komen maken, verzoek ik U aan brenger dezes, mijn oppasser, het antwoord mede te geven, of U mjj hedenavond te zeven ure, een bezoek wilt vergunnen.

Ik heb de eer te zjjn, zeer waarde nichten, Uw dienstwillige dienaar en neef.

Otto Berghem. le Luitenant der Huzaren.

— Otto Berghem! le luitenant der huzaren! riep Cornélie met glinsterende oogen. 0! wat aardig, dat hij komt! dat hij kennis wil maken! O, tantes! Nu kunnen we hem zélf bedanken, voor de bevrijding der stad!

— Ja, ja, 't is héél aardig, zei tante Keetje, dat hij de beleefdheid heeft ons te komen opzoeken en tante Aagje, die „familieziek" was, stemde toe: aller-alleraardigst.

In allerijl werden eenige schikkingen getroffen voor een soupertje, en nadat Cornélie tante Aagje geholpen had met het uitzetten van porcelein en kristal, dat eerst nog omgeveegd moest worden met een schoonen stofdoek, wipte zij zingend de breede eikenhouten trappen op naar haar kamer, om zich te gaan verkleeden in een fleuriger japonnetje, en heur haar wat bevalliger te gaan opmaken.

Zij keerde terug in de huiskamer, waar een blauw-porceleinen kom met witte asters op de tafel prijkte, en op den schoorstenmantel de cloisonné-vazen met witte herfst-seringen waren

Uet gevleugelde Wiel. II. 8

Sluiten