Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevuld, terwijl zij zelve het miniatuur portret van haar vader, dat naast den schoorsteen hing, onder het in een mahoniehouten lijstje gevatte kerkebriefje, met een kleine rose dahlia had versierd, en daar vond zij haar beide tantes gereed voor de ontvangst van den wolkomen gast. En zij lachte vroolijk, want zij zag, dat de tantes hetzelfde hadden gedaan als zij, namelijk zich „adoniseeren", zooals tante Keetje altijd, grappig, „zich mooi-maken" noemde. Daar zat tante Keetje in haar nieuwerwetsche japon van zware zwarte zijden gourgouran, met een niet al te ruimen rok, met korteren overrok in punten uitgeslagen, welke met lange zijden franje waren omzoomd. Op het hoofd droeg zij een beeldig mutsje van Brusselsche kant, en heel flatteus lagen de fijne roosjes langs het gladde, glanswitte haar. In de band had zij een zakdoek van dezelfde kant, en van haar ceintuur, aan een lang dubbel zwartzijden koord hing een fluweelen réticule af met zwaren gouden beugel. En tante Aagje... ook zij was in het zwart, zij droeg een robe van zijden Iersche popeline, maar hoog op den rug troonde een strik met vierkante lussen, waarvan de breed-uitloopende einden neervielen tot op den zoom van den rok. En haar jacquet zonder boord had een klein „en coeur'tje", waartegen een fijne smalle Valenciennes kant zich plooide, die bevestigd was met haar prachtige briljanten broche, een bloemtak op zwarten steen in een gouden rand, en op haar hart droeg zij een gouden horloge. Om de welverzorgde handen

Sluiten