Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij zaten om de tafel, en lieten neef Otto vertellen, hoe het oproer bedwongen was. Tante Keetje vulde zijn kopje, tante Aagje schoof hem de open zilveren trommeltjes toe, en Cornélie, ofschoon zij een borduurwerk, vast-gespeld op een reep groen-zwarte lakstof in handen had, liet het dikwijls rusten, om naar hem op te staren met dwepend-eerbiedige bewondering, of om hem beschroomde vragen te doen.

Otto Berghem vertelde, dat hij aan zijn broer Oscar had mede-gedeeld naar Botterdam te moeten vertrekken, en hoe deze hem toen had verteld te weten, dat er nog familie van hen daar moest wonen, zoo en zoo aan hen geparenteerd. Hij had onderzoek gedaan bij de post, en ziedaar, hij smaakte nu het genoegen van een der aangenaamste kennismakingen, die hij ooit in zijn leven had gehad.

— 't Genoegen is wederkeerig, neef, zei tante Keetje vriendelijk, en tante Aagje lachte gevleid, en Cornélie bloosde. De drie dames voelden zich zóó gelukkig, nu alle zorgen en angsten van de stad waren afgewend, nu zij hier zoo heerlijk gezellig zaten met dien charmant-knappen neef, dat zij er opgewonden van werden. Tante Keetje was vooral zéér welbespraakt. Zij vertelde uitvoerig en geen enkel detail vergetende, de geschiedenis van De Vletter, van wien neef Otto had gevraagd, „wat dat toch voor een personage was."

— 't Is zóó begonnen, zei tante Keetje; de politie verbood van de zomer aan de jongens om in de singels en vesten te zwemmen. De Vletter

Sluiten