Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar nog waren de vader en 't meisje onvermurwbaar. En van Houweling begon er genoeg van te krijgen. Maar toen hij luitenant geworden was, vond het meisje hem wel een begeerenswaardige partij, en zij toonde eenige toenadering. Maar toen kreeg zij het volgende briefje:

Mijn liefde is thans uitgebrand. Klaas van Houweling, luitenant.

Tante Keetje en Cornélie lachten als kinderen. Hoe zoo'n groote man, zoo'n officier, zulke kinderachtige grappen kon zitten vertellen, en er zelf om lachen...! Zij zag niets van de vroolijke stemming, waarin de jonge man verkeerde, en die zich uitte in het verlangen, om ook Cornélie, het kind, daarin te laten deelen... zij ergerde zich, Aagje, zij was triest, zij was vol van een schreierige droefheid, die haar den adem benauwde. En niemand nam notitie van haar, niemand had medelijden...

Maar daar hief tante Keetje haar glas omhoog, en zei:

— 'n Toast kan ik niet slaan, beste jongen, maar 'n glas wil ik op je gezondheid ledigen, op jou en je kornuiten, die onze redders zijn.

En hartelijk knikte zij hem toe, terwijl zij haar glas tegen het zijne stiet; en ja, toen moest ook Aagje wel haar glas opnemen, en vluchtig hield Otto het zijne er tegen, want hij keek al naar Cornélie, die wachtte ... Maar toen scheen Keetje toch wel iets vreemds aan Aagje te merken,

Sluiten