Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij keerde zijn rood, opgewekt gezicht naar haar toe. En toen moest haar weinige geanimeerdheid hem wel opvallen.

— Moeder! riep hij verbaasd. Nu dacht ik toch heusch, dat u zóo tevreden, zóo voldaan thuis-komen zou! U zat daar als 'n koningin, Moeder. Zoo rustig en volkomen op uw gemak, — ik was trotsch op u, Moeder. En nu ziet u er juist gedrukt, betrokken uit! Zeg me eens, Moederlief, vroeg hij schertsend, is u soms niet trotsch °P mV geweest?

— Dat was ik, zei ze ernstig, dat was ik aldoor, jongen. Maar ... ik...

— Ja, zégt u 't, Moeder!

— Peter, zei ze, we zijn 't ons heele leven zoo gewoon geweest, vertrouwelijk met elkaar om te gaan, alles met elkaar te bespreken, en elkaar raad te vragen en te geven. Nu, laat me je nu mogen zeggen: wat je voornemens bent, dat is niet goed, Peter.

— Wat ik voornemens ben ... ?

Scherp onderzoekend keek hij haar aan, maar zij doorstond zijn blik. Toen lachte hij een kort, hard lachje, en vroeg:

— Wat ben ik dan van plan, Moeder?

— Je ben van plan, uit eerzucht iets te doen, waarvan je je heele leven berouw kan hebben, als je al niet dadehjk vreeselijk teleurgesteld wordt. Je wil werk maken van 'n meisje uit de kringen, die ons hoogstens ... dulden.

— Alle eer, riep hij spontaan, aan uw devinatievermogen! Ik bewonder u, Moeder! Maar neen,

Sluiten