is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Nederlandsche cabaret

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat Moedertje nu was gestorven Begrepen de drie niet zoo gauw, Haar stoel stond precies op zijn plaats nog, Die stoel met die bloemen van blauw.

Op zekeren dag kwam de moeder, De kindertjes keken haar aan, Ze gaven heel netjes een handje,

In Vader zijn oog blonk een traan

Men zette zich rondom de tafel

En Jantje van vijf zei: Mevvou,

D i e stoel daar, die is voor ons Moekje,

Die stoel met die bloemen van blauw.

Begrijpend het teer kinderzieltje Liet zij Moeders stoel ledig staan, Zoo zijn er eerst dagen, toen weken, Toen maanden voorbij gegaan. Op zekeren dag kwam de kleinste,

Die pakte haar vast aan d'r mouw

Vader zag 's avonds een viertal

Op die stoel met die bloemen van blauw.

Is dat met een liedje, gevoelig van inhoud ? „Het beste criterium" zei Clinge Doorenbos, „of 'n liedje goed is, is a!f ,m n. vrouw tranen in d'r oogen heeft." Nu, dat zal ze bij J.e dan wel stellig gehad hebben. Ten slotte een vroolijk liedje :

DE STRAATJONGEN

Niemand voelt zich zóó vrij, Niemand fietst er als hij, Niemand lacht er zóó blij En is overal bij. Niemand loopt er zóó snel, Niemand heeft zóó'n dik vel, Niemand voelt zich zóó wel Na een ruk aan een bel. Niemand die zich zóó uit, Niemand heeft er zóó'n snuit,