is toegevoegd aan uw favorieten.

Eene tweede Maria Monk of de verborgenheden van het Zwarte-Nonnenklooster te Montreal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik, die door mijnen vader tot den handelsstand was opgeleid, zocht te vergeefs in een of ander handelshuis, onverschillig in welke betrekking, geplaatst te worden. De godsdienst, dien ik beleed, sloot mij overal de deur, en hoewel men mij, wilde ik dien godsdienst verlaten, verschillende voordeelige betrekkingen aanbood, bleef ik nochtans getrouw aan de belofte, mijnen stervenden vader gedaan, waarin mijne moeder mij versterkte.

„Onze toestand werd hoe langer zoo donkerder, wij leefden van de opbrengst van den verkoop van ons huisraad, en wel wetende, dat hieraan ook eenmaal een einde komen zoude, namen wij de grootste spaarzaamheid in acht, hetwelk nochtans niet belette, dat ons weinig meer te verkoopen overbleef."

Hoewel het mij leed deed, dat mijn redder zulk een afkeer van de kerk betoonde, die ik als de alleen zaligmakende beschouwde, vervulde mij zijne standvastigheid nochtans met eerbied en aehting voor hem.

„Thans," vervolgde hij, „weet gij, mejuffrouw, de reden, die mij dwong, mijnen naam voor u verborgen te houden, dien ik u thans noemen wil: ik heet August Stein, welt e naam ook die mijns vaders was."

„August Stein," hernam ik, „ik zal dien naam nooit vergeten en a altijd in mijne gebeden indachtig zijn, maar eene bede heb ik aan u t breng mij bij uwe moeder en laat ik kennis met haar mogen maken."

„Ik begrijp u," zeide August, weder opnieuw blozende, „gij zoudt der moeder willen doen, wat de zoon zoude weigeren, maar stel u gerust, mejuffrouw, wij hebben niemands hulp of ondersteuning meer noodig; de broeder mijns vaders in Europa is gestorven, en zijne nalatenschap, aanzienlijk genoeg om er onbekrompen van te kunnen leven, is ons ten deel gevallen en heeft een einde gemaakt aan onze kommervolle omstandigheden."

„O, hoe verheugt mij dat," zeide ik, en wat ik zeide was waarheid, „maar daar u thans geen kommer of gebrek meer drukt, waarom dan zoo somber en in u zeiven gekeerd, en mij geweigerd kennis met uwe moeder te maken ?"

„O, mejuffrouw, die kennismaking zoude toch van geen langen duur zijn," zeide August, „daar wij de eerste gelegenheid de beste afwachten om Montreal te verlaten."

„En dit maakt u zoo verdrietig, zoo somber ?" hernam ik; „in uwe plaats zoude ik met blijdschap eene plaats verlaten, waar ik zooveel .teleurstelling ondervonden en zooveel smart geleden had."

„Gij hebt gelijk, Montreal heeft niets aantrekkelijks voor mij, en toch valt het mij hard van hier te gaan."

„Waarom dan niet gebleven, of zijt ge niet vrij in uw keus ?"

„O ja, geheel vrij, ik kan blijven en gaan — maar ik moet van hier, want hier anger te blijven zoude mijn lijden verlengen, een