Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door eene niet te ver gedreven afbrokkeling of splitsing, ontstaan uit de oorspronkelijk eiwitstoffen de volgende eiwitstoffen :

De Acidalbuminen (Syntoninen) ontstaan als men de oereiwitstoffen in zuren oplost. Zij zijn onoplosbaar in water en zoutoplossingen, en oplosbaar in verdunde zoutzuur- en sodaoplossingen.

De Albuminaten zij nonoplosbaar in water en zoutoplossingen, en ontstaan uit de oer-eiwitstoffen door inwerking van bijtende alkaliën. Zij hebben een zuur karakter, zoodat zij koolzuur 'uit carbonaten kunnen vrijmaken; zij zijn oplosbaar in verdunde zuren en in sodaoplossing.

De Albumosen (Proteosen), zijn in water en zoutoplossingen oplosbaar en behooren reeds gedeeltelijk tot de diffusibele, iets wat van de voorgaande nog niet gezegd worden kan. Zij laten zich moeilijk en maar onvolkomen door koken coaguleeren. Door geconc. alcohol slaaji zij neer zonder hunne eigenschappen te verliezen. In het plantenrijk zijn zij zeer verbreid, zij bevinden zich ook in de worten der brouwerij en dragen zeer veel bij tot de schuimhoudendheid van het bier. Om ze in het bier in groote hoeveelheden doen voor te komen, moet men bij hooge temperaturen versuikeren, en bij hooge temperatuur afeesten.

De Peptonen. De peptonen zijn de verst afgebrokkelde eiwitstoffen, zonder het karakter dezer stoffen verloren te hebben. Zij ontstaan vooral door de inwerking van het pepsin of het maagsap, alsook door koken met verdunde zuren. De peptonen zijn zeer diffusibel en derhalve goede voedingstoffen voor de gist. Door koken hunner oplossing worden ze niet veranderd. Zij zijn onoplosbaar in alcohol en sether, doch oplosbaar in water, zuren, zoutoplossingen en alcaliën en worden noch door koken noch door geconc. zoutoplossing neergeslagen.

Behalve voornoemde eiwitstoffen, zijn er nog eene gansche reeks stoffen bekend, welke min of meer in betrekking tot het eiwit staan, omdat zij er door zeer verregaande afbrokkeling uit voortgesproten zijn. Tot zulke stoffen behooren de Nucleïnen en hunne basen : Guanin, Xanthin, Hypoxanthin, Adenin enz., en de Amiden en Amidozuren, zooals : Asparagine, Iso-leücin, Leucin, Tyrosin, Glycokoll, Arginin, Valin, enz. Zij komen in rotte gist in groote hoeveelheid voor. Uit de amidozuren ontstaan door de levensverrichtingen der gistcel de hoogere alcoholen. Zoo ontstaat de Amylalcohol of de foeselolie uit het Iso- leucin en Leucin; de Isobuthylalcohol uit het Aminoïsovaleriaanzuur ; de Normaalpropylalcohol uit het Glutamizuur, enz.

Sluiten