Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der soort bedekken deze draden zich met groene, blauwachtiggrauwe, bruine, oranje, roode of zwarte topkens of zaadhuiskens.

Men verdeelt de schimmels in verscheidene groepen, volgens den vorm hunner fructificatie-organen. Men heeft onder andere : Penicillium-, Aspergillus-, Mucor-, Oïdium-, Cladosporium- en Dematiumsoorten. Zij bestaan uit vele en verschillende onderdeden en kunnen op de meest verscheidene manieren groeien en sporen vormen. Uit elke spoor (fructificatie-orgaan, konidie of zaadje) gelijk op welke wijze zij is voortgebracht, kan men weder alle wasdomseigenaardigheden der soort terug bekomen. De sporen zijn rond, ovaal en soms ook staafjesvormig, en kunnen zich tot kiemdraden ontwikkelen en verder nieuwe enkellingen vormen.

De draden noemt men in de bacteriologie « Mycelium », zij vormen aan de oppervlakte van het substraat een onder- en een bovengedeelte. Het ondergedeelte breidt zich met energie in het substraat uit om voedsel aan het bovengedeelte te bezorgen. Elk worteltje kan twijgjes en elk twijgje worteltjes voortbrengen. Neemt men daarbij nog in acht, dat op elk twijgje een tros sporen voorkomt die na verstuiving weer opschieten, zoo kan men zich een gedacht vormen van de ontzaglijke vermeerderingskracht der schimmels.

De schimmels tieren het best bij vrije toetreding van lucht, doch kunnen ook, voor korten tijd, bij afsluilting van lucht leven en vermeerderen.

Dompelt men bijv. de luchtsporen der schimmels in eene wort onder, dan zwellen zij sterk op, drijven een of twee draden (buisjens) uit, die knobbelige, onregelmatige vertakkingen met tusschenschotten vormen. Deze tusschenschotten vullen zich met protoplasma, snoeren zich af en vormen langwerpige of staafvormige konidiën, die allengskens rond worden en weder draden schieten; ook kunnen aan de uiteinden der buisjes kogelige of eivormige sporen afgescheiden worden. Sommige schimmelsoorten zelfs, vermeerderen zich in de wort op de wijze der gist.

Het groeien der schimmelplanten in onder- en boven-mycelium hangt veel af van de hoedanigheid van het voedingsvocht.

Op een suikerstofarm doch proteïnrijk vocht, schiet onder andere de koji en de amylomyces veel boven-mycelium, dat snel rijpe vruchten draagt. Op een vocht dat tevens rijk aan suikerstof is, maken zij meer onder-mycelium en zijn uiterst traag in het voortbrengen van luchtsporen.

Sluiten