Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. — Aan eene ongestoorde toetreding der dampkringslucht.

Zijn deze voorwaarden vervuld, dan zal het kiemproces des te sneller aanvangen hoe dichter de warmtegraad bij het optimum of 250 C. gelegen is. Het begin der kieming maakt zich door eene zwelling der korrels merkbaar, korts daarop komen de worteltjens, gevolgd door het pluimpje, te voorschijn. De ontwikkeling van het pluimpje is veel trager als deze van het worteltje, vooral als de temp. laag is. Bij de gerst en de haver, komt de bladscheut niet aan het zelfde einde als de wortelscheut te voorschijn, zij kruipt onder de pel het tegenovergelegen einde van de korrel toe. Van de mals kan men bijna hetzelfde zeggen, doch de dikke en krachtige bladkiem breekt de pel reeds door voor zij het einde van de korrel bereikt heeft. Bij de tarwe en de rogge verschijnt het pluimpje, daar dezelve geene omhulling bezitten, tegelijk met de worte]kiem aan het zelfde einde, en is van deze laatste door haar meer platte en eenzijdig gebogen vorm te onderscheiden.

Het verloop der kieming is eene langzame verbranding, welks produkten dezelfde zijn als die eener snelle met vuurverschiining gepaard gaande verbranding. De kiemende graankorrel neemt bij middel van zijn enzyme « oxydase » zuurstof (O) uit de lucht op en oxydeert daarmede de organische- of koolstof (C) verbindingen zijns weefsels, en wel bijzonder de door de diastase in maltose overgevoerde ameldonk tot koolzuur (CCh dat uitgeademd wordt en water. Hierbij ontstaat, zooals bij alle verbrandingen» eene niet onbeduidende warmteontwikkeling, wat den vooruitgang van het kiemingsproces begunstigt en de analogie met het werkelijk verbrandingsproces volledigt.

Hieruit leeren wij dat — vooruitgezet dat het graan de noodige quantiteit water opgenomen heeft — de toetreding eener toereikende hoeveelheid zuurstof de eerste en grootste grondvoorwaarde der kieming is. Want, evenals de gewone verbranding ophoudt, zoohaast het haar aan zuurstof of lucht ontbreekt, evenzoo ook houdt het kiemingsproces op, van het oogenblik dat er van de omgeving geene genoegzame hoeveelheid zuurstof meer toegevoerd wordt.

Zooals gezegd, onderhouden de koolhydraten bijzonder het respiratieproces der kiemende granen, waarbij zij tot koolzuur geoxvdeerd worden. Derhalve neemt het drooggewicht van het graan af, en wel voor zooveel als er koolhydraten geoxvdeerd worden.

Indien men een normaal mout bereidt met eene blaakiemlengte

Sluiten