Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verder onderscheidt men tweerijïge-, vierrijïge- en zesrijïge soorten. Streng genomen, zijn alle gerstsoorten örijïg. De tweerijïge heeft ook 6 bloesemrijen, doch alleen de middelste rij langs weerskanten van het halmpje wordt bevrucht. De vierrijïge heeft zoowel als de zesrijïge 6 rijen met korrels, doch zij zijn op eene andere wijze om het haartje gegroepeerd. Bij de zesrijïge vormen zij een zeskant om het haartje en bij de zoogezegde vierrijïge een vierkant.

De tweerijïge soorten geven schoone, gelijkmatige en dikke korrels, doch de zesrijïge geeft er ongelijkmatige, doordien 2 zijner rijen geprangd tusschen de andere zitten ; de korrels uit deze rijen zijn kleiner en verwrongen, zoodat zij een scheefloopend groefje vertoonen. De korrels van de vierrijïge gerst zijn alle verwrongen. Tot deze soort behoort de Poldergerst alsook meest al de wintergerstsoorten.

De wintergerst geeft een hard en stekelig gevoel, is donker stroogeel en vertoont een eigenaardige blauwachtige schemer, haar vorm is langwerpig en meer gestrekter als dik.

Onze Poldergerst heeft een proteïngehalte van 8 a 8,5 % en geeft een extractgehalte van 65 a 66 % a 10 % water berekend.

Tot de tweerijïge soorten behooren de imperiaal-, de chevalieren de landgersten, De imperiaalgerstsoorten dragen rechtopstaande halmen, hunne korrels zijn groot en dik en tamelijk zwaar van pel. De chevalier- en de landgersten dragen neigende halmen, hunne korrels zijn matig groot, rond, vol en fijn van pel. Tot de imperiaalgersten behooren : Goldthorpe of Deensche-, Webbsbaardlooze-, juweelgerst, enz.; tot de chevaliergersten : Heine's, Richardsons, Schotsche paarl, Oregon, Chili, Meloengerst, enz.; tot de landgerst: Printice, Hanna, enz..

De chevalier- en de landgerst worden in de brouwerij hoog geschat, omdat zij fijn van pel zijn en doorgaans weinig eiwit en veel zetmeel bevatten. Doch tusschen de andere gerstsoorten vindt men er ook zeer goede, met een hoog zetmeel- en een laag stikstofgehalte.

De goede qualiteit van gerst hangt niet zoo zeer van de soort, of van het jaargetijde waarop zij gezaaid is af, maar veel meer van de plaatselijke invloed van weder, bodem en bemesting. Door gebruik van kalihoudende meststoffen, kan men het stikstofgehalte verminderen en door gebruik van stikstofhoudende (Chilisalpeter) vermeerderen.

Dikschalige gerst en vooral de wintergerst is in Duitschland en Oostenrijk niet goed gewild; men meent dat zij het bier een

Sluiten