Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hop is eene der drie grondstoffen der bierbereiding, en een gegist vocht, waarin niet alle stoffen dezer vrucht voorkomen, zou men moeilijk den naam van bier kunnen geven.

De hop wordt aan de wort toegevoegd, i° om het bier houdbaar te maken; 2° om het te doen klaren ; en 30 om het den aangenaam bitteren smaak en den fijnen hopgeur (hoparoma, Hopfenblume) te verleenen.

De hop (Humulus lupulus) behoort tot de familie der netels (Urticaceeën) en is eene tweehuizige of dicecische plant, d. w. z. dat elke plant afzonderlijk ofwel uitsluitelijk mannelijke ofwel uitsluitelijk vrouwelijke katjes voortbrengt. Deze katjes of bellen hebben eenigzins den vorm van denneknoppen en bestaan uit paarsgewijs geplaatste schutbladeren, binnen welke de bloemen geplaatst zijn. Aan den voet van elke schub of schutblad, vindt men kliertjens, die een geelachtig meel afscheiden, dees meel wordt lupuline genoemd en kan door ziften afgezonderd worden.

Voor de bierbereiding kan maar alleenlijk de vrouwelijke plant in aanmerking komen, omdat deze maar alleen de waar voortbrengt welke men in den handel den naam van « hop » geeft, namelijk de onontwikkelde bloemkatjes. Om hop van beste hoedanigheid te winnen, is het volstrekt noodig dat alle mannelijke of wilde planten in de hopvelden en in de omliggende bosschen uitgerooid worden. In sommige streken heeft men nogtans de slechte gewoonte van eenige mannelijke planten in de hopvelden te laten groeiën om de vrouwelijke hopbellen door het mannelijk stuifmeel te laten bevruchten, waardoor in eerstgenoemde de zaden ontwikkelen en alzoo het gewicht der hopbellen of katjes vergroot. Zulke handelwijs is niet rationneel, want wat men in gewicht wint verliest men dubbel in qualiteit. De groote of ontwikkelde zaden vormen niet alleenlijk een volstandig waardelooze ballast, maar ze verraden tezelfdertijd uiteenvallende katjes.

De gekweekte variëteiten van hop zijn talrijk en men verdeeld ze hoofdzakelijk in roode en in groene hop. De roode hop herkent men daaraan, dat hare ranken blauwgroen gekleurd schijnen, roode streepen vertoonen, en dat hare katjes groenachtig geel, middelmatig groot, zeer meelrijk zijn, aangenaam aromatisch rieken en dat de dekbladertjens derzelve zich omstreeks den rijptijd sluiten. Deze variëteit is het, welke de edelste hopsoorten levert, doch quantitatief maar een geringe oogst opbrengt. De tweede variëteit, de groene hop, is daaraan te herkennen, dat hare ranken gansch groen gekleurd zijn en groote roodachtig gekleurde katjes van minder aangenamen geur voortbrengen.

Sluiten