Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Seef, is er bij mijne wete nergens iets te lezen ; de brouwers hebben er altijd een geheim van^gemaakt, iets wat erg achterlijk en onzinnig is. Op zulke wijze kan een product niet verbeterd worden.

Over het Leuvensch wit vindt men eenige magere beschrijvingen. De bereidingswijze is heel oud en theoretisch en praktisch volslagen onzinnig. Met de Duitsche professoren roep ik uit : Keer uit, al die geheimhouding, want het strekt tot nadeel van waar en volk. Door elkanders ervaringen te hooren en te kennen, komt men met de fabrikatie tot de hoogste hoogte.

De door mij opgegeven werkwijze ter Seefbereiding, kan even goed voor het Leuvensch aangewend worden ; doch het bijvoegen van suiker en gistdécocsel kunnen hier achterwege blijven, wijl deze soort witbier zwaarder gebrouwen wordt en derhalve troebelstoffen genoeg bevat.

a) De bereiding van Antwerpsche Seef. Alhoewel het troebelwitbier op verschillige manieren en uit verschillige mengsels van grondstoffen kan bereid worden, kan men niettemin met veel recht zeggen dat het niet gemakkelijk is om een goed troebel, na 15 dagen nog niet doorvallend bier te bekomen.

Het princiep van alle doenwijzen der Seefbereiding moet zijn : zooveel albumen, albumosen en andere onwijd afgebrokkelde proteïnstoffen mogelijk in het bier te verkrijgen en het tevens door gomachtige stoffen eene viskositeit te geven, dat het die stoffen vasthouden kan, dus niet bezinken laat. /

De brouwers die hun witbier zwaar (1,018 a 1,020) en geheel uit graan bereiden, kunnen zelf begrijpelijk dit doel veel beter bereiken als die welke hun bier maar op 1,010 a 1,0x4 inbrouwen en na de gisting met 1 a 2 % suiker vermengen.

Voor deze laatsten is het bijvoegen van rogge, scheuten en gist eene noodwendigheid, om eene goede troebeling te verkrijgen en te behouden. Het witbier, door bijvoeging dezer stoffen bereid, is daarenboven geheel aangenaam van smaak en uitzicht.

Eene stijfsel- of zetmeeltroebeling alleen houdt geen stand en brengt het bier haast in verzuring; eene troebeling door levende gistcellen is onvoldoende en houdt bij verdere vergisting haast op. Te veel levende gistcellen in het bier doet hetzelve te sterk gisten op de flesschen, alsook snel verzuren.

Seef uit zwaar mout en mout dat hoog afgeëest is, gist ook veel sterker op de flesschen als seef uit klein diastasrijk mout.

Voordat het bier op flesschen afgetrokken wordt, moet Jjet wel uitgegist zijn. —

Sluiten