Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het.koolzuur werkt evenals de alcohol gistinghemmend, zoodat de bieren die bij het overtrekken veel CO2 verliezen, opnieuw in gisting kunnen komen, waardoor weer een nieuw gistneerslag zou gevormd worden.

De flesschen moeten met eene groote nauwgezetheid uitgespoeld en de kurken uitgekookt worden. Voor transportbieren gebruikt men zelfs geparafineerde kurken. Flesschen met patentslot zijn ook zeer geschikt, doch moeten vooral aan den caoutchoucring goed gereinigd worden.

Het transportbier wordt veelal gepasteuriseerd, ofwel met salicylzuur vermengd. In het eerste geval verhit men het zooveel mogelijk gistvrije bier in de gesloten flesch gedurende '/? uur op 65° Cels., en in het tweede geval voegt men 0,10 a 0,25 gr. salicylzuur per liter toe. Het salicylzuur wordt met een weinig bier of alcohol zorgvuldig tot eene brij vermengd, welke men langzamerhand met meer bier aanroert en dan op het vat giet. Deze bewerking moet 2 a 3 weken vóór het aftrekken op flesschen geschieden, omdat de bacteriën en de gistcellen gelegenheid zouden hebben zich af te zetten. Bij het aftrekken door vloeibaar koolzuur is het aan te raden het vat reeds eenige dagen op voorhand onder een koolzuurdruk van 1 atmosfeer te zetten, om het bier den tijd te geven koolzuur op te nemen.

Van het vloeibaar koolzuur weze gezegd dat het geheel zuiver zijn moet en dat het vooral geene olie- of wetachtige stoffen mag bevatten, want die zullen, zelfs in zeer geringe hoeveelheden, het bier beletten te schuimen. Het in cylinders geperst COs kan de volgende onreinigheden bevatten (als gassen) : lucht, kooloxyde, zwavelwaterstof en koolwaterstof; (als vochten): water, smeerolie en glycerine; (als vaste stoffen) : smeervet en koolzuur-ijzeroxyde.

Speciale methode voor het brouwen van Flesschenbier (volgens H. Verlinden).

Een der bijzonderste eigenschappen van flesschenbier is dat het geen zaksel op den bodem der flesch vormt, zelfs niet wanneer het ongefiltreerd op de flesch getrokken wordt.

Om hiertoe te geraken, stel ik de volgende brouwwijze voor : Men gebruike uitsluitelijk mout, dat voorzichtig doch wel gedroogd is. Hetzelve moet tot op 4 5 der korrellengte gekiemd zijn en veel diastase bevatten, zoodat het wel opgelost en eene verregaande versuikering geeft. De kleine gerstsoorten, alsook de Poldergerst geven een diastaserijk mout.

Sluiten