Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarna gemalen ; dat is de zoogezegde geroosterde maïs. Om het gevermicelleerde praeparaat te bekomen, bevochtigt men de gepufte maïs, verhit en drukt hem onder hoogen druk door doorboorde buizen en droogt in vacuüm. Eene andere en betere wijze van gemakkelijk oplosbaar maïspraeparaat te bereiden, is de volgende : Men neemt ontharte maïs, kookt haar met zoo weinig jvater mogelijk en brengt de maïsbrei tusschen verhitte wellen, ofwel weekt de zeer grof gebroken maïs in water van 6o° Cels. en plet hem tusschen verhitte wellen. Men droogt het praeparaat in wentelende vacuümtrommels ofwel in gewone trogvormige bakken.

Een ander, min of meer oplosbaar maïspraeparaat is het zoogenaamd «Procalline; » hetzelve schijnt een door weeken in zoutzuurhoudend water bereid preparaat te zijn.

Behalve deze maïspraeparaten bestaan er ook nog min of meer oplosbare aardappelpraeparaten, onder andere de 'zoogenaamde « aardappelvlokken ». Dezelve worden uit gedampte aardappels bereid.

De gepufte maïs lost zich het gemakkelijkst op, doch hij bevat eene zekere hoeveelheid oplosbaar zetmeel dat zich uiterst slecht door de diastase laat versuikeren.

In het water, dat tot het beslagmaken dient, wordt reeds 1-2 uren van te voren het mout gestort; de diastase is dan al wat opgelost vóór de preparaten daarin komen, zoodat dezelve van den aanvang af met diastashoudend water doortrokken worden. Daar er hier geene diastase door hooge temperaturen gedood wordt, zoo is het gemakkelijk te begrijpen dat men bij deze werkwijze niet meer mout gebruiken moet als bij de gewone wijzen. Het mout moet zuiver en gezond zijn, en kuipen en gereedschappen uiterst zuiver gehouden worden. Men voegt het beslag wat formol toe, doch geene zuren, aangezien de diastase bij een gewoon zuurgehalte van 0,4 reeds verzwakt wordt.

De gisting, die bij 28 £30° Cels. gevoerd wordt, neemt een snel verloop.

De versuikering van Maïs en andere zetmeelhoudende Stoffen door koken met Zoutzuur.

Men kookt de maïs, hetzij in gansche korrels, hetzij in meel, met zooveel water gaar, dat na het koken op 100 kgr. maïs ongeveer 150 lit. water bevonden zijn. Heeft dit gaarkoken in een ijzeren cuiseur plaats, zoo drukt men de massa naar een kope-

Sluiten