Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat de voortplantingsgist afgenomen, is wordt zij aanstonds op eene temp. van 10 a 13° Cels. afgekoeld en bij deze temp. tot het wedergebruik staan gelaten.

Als de kunstgist nu geheel rijp geworden is, wat gewoonlijk, van het aanzetten afgerekend, in 4 a 10 uren geschiedt,wordt zij tot het aanzetten van het hoofdbeslag gebruikt. Als rijp is de kunstgist te betrachten, als de vorming van nieuwe gistcellen opgehouden heeft, de nog voorhanden spruitcellen eene gelijke groote hebben en even in verzoeking staan om zich van de moedercel los te maken. De vergistingsgraad der kunstgist is alsdan op het '/3 der oorspronkelijke concentratie gezonken ; bij voorbeeld van 26° Balling op g°. Indien men met moedergist alleen of met eene kleine hoeveelheid kunstgist arbeidt, is het zeer aan te prijzen het beslag, na het afnemen der moedergist, met eene hoeveelheid geconc. zoetbeslag, gelijk aan het volumen der afgenomen moedergist te vermengen.

Het gistmengsel blijft dan nog llt a x uur staan vooraleer hetzelve bij het hoofdbeslag gestort wordt.

Sommige praktizijns willen de rijpheid der kunstgist aan de temperatuursverhooging, alsook aan het uitzicht der massa erkennen. Wanneer de kunstgist, van de aanzettemperatuur gerekend, minstens 90 Cels. gestegen is, dan achten zij de gist rijp. Diegene welke naar het uitzicht werken, achten de gist rijp als de aanvankelijk rollende beweging der massa langzaam ophoudt, de koolzuurblaasjens zeer troebel zijn en het beslag aan de wanden begint in te vallen. De kunstgist kan reeds lang rijp zijn voor zij eene rustige oppervlakte vertoont, en in andere gevallen kan het weer voorkomen, dat zij nog niet rijp genoeg is wanneer reeds alle koolzuurontwikkeling opgehouden heeft. De oorzaak hiervan ligt in het glycogeengehalte der kunstgist.

In een zeer goed versuikerd beslag van hooge concentratie kan (zooals hierna uit analysen duidelijk blijken zal), nadat hetzelve sterk verzuurd en met gist aangesteld is, eene zeer sterke glycogeenvorming, uit het Maltose, ontstaan. Deze werking kwam het meest voor bij sterke uitzaaiing van eene stikstofrijk geworden zetgist in zeer geconc. en zeer zure deesem.

De oorspronkelijke zetgist stamde uit een. Schiedammer balfluchtgist- en halfweenergistfabriek. Uit deze fabriek kwam de gist altijd stikstofarm doch aschrijk en buitengewoon schoon lichtgeel op de markt; vlokkig van aard was zij niet. Wij vonden in deze gist een buitengewoon goed ras voor de weenergistfabrikatie, doch zoohaast zij zeer stikstofrijk geworden was, werden

Sluiten