Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbindingen en vermeerdert zich dan ook buitengewoon sterk.

De Schiedammer zetgist, waarvan ik hiervoren reeds gesproken heb, bevatte 9,5 °/0 asch en 6,4 °/0 stikstof (N) en was fijn van structuur. Met deze gist had ik, zonder vinasse, een rendement in gist van 14,5 a 16,5 %, en met vinasse een rendement in gist van 19 a 22 °/0, en in alcohol een rendement van 28 a 30 °/0.

Ik stortte per hectolit. : 5.7 kgr. Dorpateestmout, 5,7 kgr. St. Petersburger rogge, 0,7 kgr. boekweit van Libau en 5 kgr. La Plata maïs. Van de vinasse gebruikte ik 27 liter a 40 Balling. De aciditeit van het aangezet beslag bedroeg 0,6 a 0,7 NaHO per 20 ccm.

Dit zijn de resultaten bekomen in de laboratoria, en arbeidende volgens het zuiver Weenerstelsel op een beslagvolumen van 30 liters bij eene vloeistofschicht van 28 ccm. In de groote praktijk bereikte men weliswaar deze buitengewoon hooge rendementen niet, doch men bekwam er in elk geval nog zeer hooge, zooals uit de volgende cijfers blijkt : Zonder vinasse bekwam men per 100 kg. gestort 13,5 a 14 kg.; met vinasse uit de oude Belgische stokerij 17 a 18 kg.; en met vinasse uit de gistfabriek 15 a 16,5 kg. persgist van eene buitengewone goede stijg- en gistingskracht.

Dat hier de goede chemische en physiologische toestand der gistcel niet alleen de oorzaak geweest is van deze schoone resultaten, doch dat hier ook een bijzonder gistras in 't spel was, staat buiten kijf. De Schiedammer gistfabrikant, waarvan deze gist voortkwam, bereidde zijne gist naar een eigen en mij onbekend stelsel.

Om dees buitengewoon gistras tegen vermenging met vreemde rassen te behoeden, legde ik een reincultuur aan en bereidde daaruit alle maanden eene nieuwe moedergist. Na 2 jaren hiermede goed gearbeid te hebben, ving de reincultuur op eenmaal aan vlokken te vormen ; de rendementen vielen op 11,5 a 12 °/0 en de klachten der bakkers, over de stijgkracht der gist, waren algemeen.

Daar de principaal, zooals te begrijpen is, dit ras niet gaarne varen liet en alle moeite deed om het weder op te frisschen, zond hij ook een staal daarvan aan Dr Jörgensen, in Kopenhagen, met de bede het weder in goeden, jongen staat te willen brengen. Doch alles was te vergeefs, den ouden man zat er in en bleef er in. De ware oorzaak dat deze afgeleefdheid der gist zoo plotseling en ook wel al te vroeg optrad, was volgens mij het lang staan laten der reeds uitgegiste reincultuur in de cultuurkast bij eene temp. van 30 a 370 Celsius.

18

Sluiten