Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schiedt. Het kan ook nog geschieden door hydraulische- en door hevelpersen. Nog eene andere manier om kleine hoeveelheden gist deegdroog te maken bestaat daarin, dat men de gist op drooge gipsblokken uitgiet. De gipsblokken worden na het gebruik gedroogd en kunnen zoolang dienen tot de poriën verstopt zijn.

De beste filtreerpersen zijn die met ondiepe kamers en met pompen zonder luchtbol. J. Musto en C°, Clinton Road, London, vervaardigt zeer goede persen. Hunne grootste filtreerpers bevat 46 kamers van 63 V. cm. hoog, 63 cm. breed en 2,85 cm. diep. Met deze pers kunnen in 2 a 4 uren 580 kgr. deegdroge gist bereid worden. Met kleinere persen krijgt men de gist verhoudingmatig sneller droog, zoodat met eene pers voor 100 kgr. de gist in 45

min. goed deegdroog is.

Voor dat met het persen aanvang genomen wordt, voegt men op enkele plaatsen de gist 2 a 3 % aardappel- of rijstzetmeel toe. Dit geschiedt om het persen te vergemakkelijken.

Voor gemengde waar (mélangée) neemt men hier en daar 20 a 30 °/o aardappelzetmeel. Zulke waar heeft geen grond van bestaan en de vraag naar vermengde gist komt nog alleen uit de verach-

terde streken (Limburg).

Daar de zetmeelkorrels veel zwaarder zijn dan de gistcellen, zoo is het volstrekt noodig de met zetmeel vermengde gist aanhoudend te roeren, om gedurende het persen eene gelijkmatige verdeeling te bekomen.

Hoe rijper, zuiverder en beter de gist, en hoe dikker de gistwort is, des te beter en sneller zal zij geperst worden.

Het deegdroog persen of de gedeeltelijke ontwatering der gist laat zich in geen geval overhaasten. Te jong en niet genoeg gewasschen of ontslijmde gist, laat zich zeer moeilijk droog persen. Hoe droger men de gist perst, des te beter kan men haar bij het dooreenwerken beeldzaam krijgen. Het persen geschiedt in den beginne langzaam en regelmatig, bij eene niet boven 5 atm. stijgende druk, zoohaast de kamers gevuld zijn, hetgeen aan het langzaam terugvallen van den drukmeter waargenomen wordt, gaat men met den druk tot Op 7 a 8 atm., en houdt dezelve aan tot de gist genoegzaam droog is, d. i. tot zij een watergehalte van 67 a 69 °/p bezit. Als dit nu bereikt is, hetgeen aan eene genomen proef gemakkelijk waargenomen wordt, steekt men de gist uit de persen en verzameld haar in vaten of bakken. In deze vaten morzelt en wrijft men de gist zooveel mogelijk met de hand, of drukt ze door eene grove koperen zift, kneedt en treedt ze, morzelt ze nogmaals en bevochtigt haar dan zooveel mogelijk gelijkmatig,

Sluiten