Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Huis van Bewaring gebracht, waar 'k mijn geld en mijn horloge met ketting en potlood moest afgeven. De ambtenaar was correct, niet onvriendelijk. Hij deelde mij mee, dat ik, wilde ik alleen zitten, daarom verzoeken moest, wat ik aanstonds deed, en liet mij daarna door de juffrouw van de vrouwen-afdeeling naar de cel geleiden.

Mijn koffer met boeken moest ik beneden laten. Enkele toiletbenoodigdheden, mijn nachtjapon,"pantoffels en wat kinderportretten mocht ik mee naar de cel nemen.

Cel 6! — Daar zit ik nu.

Een kale ruimte, ik denk goed 2 meter lang bij anderhalf breed. De zoldering heeft drie bogen, de muren zijn grijs van kleur.

Hier zit ik voor mijn ruw houten klaptafeltje, dat aan den muur bevestigd is; op den houten stoel, die met een ijzeren ketting eveneens aan den muur vast zit. Aan den anderen wand is het ledikant met den grauwen stroozak vastgehaakt, dat 's avonds wordt neergelaten.

De cel is zindelijk. Ook het emmertje met water en de blauw steenen waterkruik met het houten dekseltje.

Mijn benoodigdheden heb ik in het hoekkastje gedeponeerd, dat ook mijn tinnen huishouding bevat: waschteiltje, etensblikje en drinkkroes.

De portretten heb ik op het tafeltje tegen den muur gezet. Het is of de kinderoogen mij verbaasd aanstaren in deze wondere omgeving!

*

Dat droog-brood-rantsoen is heel erg. Toen de juffrouw het mij zoo even bracht, begreep ik ineens, dat ik toch nog wat anders verwacht had. Maar men krijgt pas na een maand, tegen betaling, de beschikking oVer de kantine.

Als ik mijn boeken maar gauw krijg!

Op het reglement, dat hier hangt, lees ik, dat als

Sluiten