Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarnaast is mijn „zitten" minder dan kinderspel.

De gedachten van de velen, die mij liefhebben, voel ik als een warme veiligheid om mij henen.

Maar ik ben mij bewust, dat deze eerste en straks de laatste dag de lichtste zullen wezen.

Acht grauwe dagen moeten daartusschen verloopen. Verkruipen misschien!

's Avonds half acht..

Wat is het heerlijk, dat je overal vriendelijke menschen treft! Zonder de beide bewaaksters hier zou alles veel somberder en akeliger zijn.

Het is een heel ding, zoo'n stuk droog, bruin brood te verduwen, als de juffrouw een poosje geleden op het ongeverfde tafeltje voor mij neerzette.

De bruine homp is in drie boterhammen gesneden; verder moet je maar zien, dat je er zonder mes mee klaar komt. Met behulp van je kroes water.

Ik vrees, dat ik het souper wat slachtofferachtig aankeek, want ineens begon de juffrouw te lachen. Die lach maakte de cel licht, en ik lachte hartelijk mee.

Wat een genot, dat ze je in de opsluiting geen vroolijkheid verbieden kunnen.

Het is wel een vroolijkheid, die sneller dan elders weer wegebt.

De vroolijkheid — ja. De vrede niet.

Toen 't schemerde, heb ik gezang 274 gezongen:

,,Komt, laat ons voortgaan, kindren Want de avond is nabij" . . .

En ik bracht het tot het derde vers:

Moog' ons de weg vermoeien,

Oneffen zijn de baan,

Waar scheipe distels groeien En telkens kruisen staan;

Daar is geen andre weg,

Sluiten