Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik verbaas mij telkens over het feit, dat men in de gevangenis zoo vaak hoort lachen.

Hoe zou de lach zijn, die na zoo'n bezoek door de gevangenzaal weerklinkt!

Daar moeten Gods engelen bij huiveren.

De voorganger preekte, nadat de voorzanger ons 1 Corinthe 15 gelezen, en twee verzen van psalm 43 had laten zingen, over Job 19 : 25: „Ik weet, mijn Verlosser leeft".

Een jaar of twintig geleden hoorde ik naar aanleiding van dien tekst het eerst over Bijbelcritiek. Ik hoor nog den theologischen student, die van 't gezelschap was, na de preek zeggen: „Onzin, om zoo'n woord uit Job in eenig verband met Paschen te brengen. Met eenig onsterflijkheidsgeloof überhaupt. Dat hadden de Joden niet".

Later is hij een predikant van Gereformeerde richting geworden. Daar alleen „vond hij rust".

Alsof het in 't leven om onze „rust" gaat!

Alsof er in dit leven werkelijk rust is, juist voor wie lééft.

Marnix wist het wel.

Rust-oogenblikken zijn er — dat is al.

Een zien van de oase, een plukken van enkele vruchten, een momenteel toeven onder de palmen. En dan het opschrikken weer door de stem van den drijver: „voort, voort!"

Maar „voort" — dat is „verder". Dichter naar God heen. Naar God, de oneindige Rust, wijl de eenige, eeuwige Werkelijkheid.

Wiens wezen is, dat Hij geen verandering kent noch schaduw van omkeering.

En al, al, al het andere?

Bioscoop-prentjes, die niet stil kunnen staan.

Zooals ik daar zat in dat hokje, afgegrendeld te staren naar den voorganger ... om mij heen al de

Sluiten