Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hollandsch dorp, waar ik vóór een paar jaren sprak. Daar was ik den rooden te blauw, den blauwen te rood, den kerkelijken te „grof", omdat ik voor de neutrale Nederlandsche Vereeniging sprak, en den liberalen te „fijn", omdat ik een afkeer heb van „bal-na" na een ernstige rede. Later, toen ik in de logeerkamer van de dorpsherberg was geleid, bleek ik bal-beneden te hebben. Het joelde en stampte en gilde en kloste . ..

„O, mijn lieve zwartkop", was het zang-en dansmotief.

Ik dacht aan' mijn arme rede, en schreide bijna.

Tot ik eindelijk om de groteske situatie in lachen uitbarstte. Dan slaapt men spoedig in.

Zoo ging het mij gisteren, terwijl ik mijzelf om mijn christen-socialistische „vreemdelingschap" beklaagd had.

„En toch ben ik dichter bij de door geen sterveling gekende waarheid dan zij", dacht ik, ter eene zijde v. d. Goes, ter andere prof. Diepenhorst trotseerend. * Toen verwarden mijn gedachten hen met de dorpsjeugd, die joelde en kloste na mijn onthoudings-rede.

En als men dan glimlachen kan, slaapt men spoedig in.

Dinsdagmorgen. Achtste dag.

Deze dag staat in het teeken van mijn bezoek. Ik kan nergens anders aan denken.

Ik geloof, dat men zelf in de gevangenis moet hebben gezeten, om het Bijbelwoord uit MattheuS 25 te verstaan, dat mij nu aanhoudend door de gedachten speelt:

„Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen".

De Zoon des menschen, zegt Jezus, zal in het laatste oordeel zoo tot de „gezegenden zijns Vaders" spreken.

Wie, die dat leest, schenkt onder de daden des

Sluiten