Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misch gevoel, dat je elkaar geen hand ten afscheid kunt geven, nog eens omzien en knikken en wuiven ...

En ik ga met een wonderlicht gevoel de trappen weer op, naar mijn cel.

Wij weten, dat we veel van elkaar houden. En Vrijdag ga ik naar huis!

# Er zitten in de gevangenis moeders. Soms voor jaren.

Hoe moeten die zich gevoelen, als de brigadier meldt, dat de bezoektijd om is, en ze kunnen hun kinderen niet eens een kus geven!

Woensdag 3 Mei. Negende dag.

Gisteravond ontving ik alleraardigste 1 Mei-groeten.

Een keurige pen-teekening uit Leeuwarden, gedroogde bloemen uit Schiedam en Schagerbrug, vriendelijke woorden van everywhere.

Je wordt zoo klein onder zulke dingen. En ook weer groot, want het maakt je sterk. Had ik een straf te dragen, die werkelijk hard was, waren dit huldebewijzen, dan zouden ze mij verschrikken, maar het zijn louter vriendschapsbetuigingen, waarvoor ze terecht deze bijzondere gelegenheid kiezen.

Van kleinheid gesproken — gisteravond had ik een angstig oogenblik, toen het begon te onweeren.

Kalm in je cel te zitten, terwijl alles rondom je rustig is — dat beteekent niets. Maar zoodra bliksemstraal en donderslag in deze afgegrendelde beslotenheid vielen, voelde ik voor het eerst vrees voor de cel.

Carlyle zegt ergens, dat feitelijk het eenige, waarvan de mensch verlost moet worden, de vrees is. Ik herinnerde mij de ontroering, waarmee ik dat indertijd gelezen had,, en ik schaamde mij voor Carlyle.

En ook voor Paulus en Silas, wier grootheid in den kerker te Filippi ik nu inniger bewonderen kan dan tevoren.

Sluiten