Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eenigen tijd geleden werd door mij in het openbaar eene meening uitgesproken over de Vrijmetselarij. {Het Wezen der Vrijmetselarij en hare taak in den Komenden Tijd in De Nieuwe Gids van Januari 1914, later afzonderlijk uitgegeven.)

Bedoelde meening liet zich samenvatten in deze woorden : — „dat men geen vaandel in den steek laat, dat met zooveel eere den heelen strijd van het menschdom — den strijd om het Licht! — gewapperd heeft, bóven alle partijhoofden uit."

Daar werd bij gezegd:

„Het is alleen de vraag, hóe men het redden moet en wie er zich om heen zullen scharen."

Om een vaandel te verdedigen moet men de Idee liefhebben, die het symboliseert en vertegenwoordigt. Om lief te kunnen hebben, moet men wéten, méegevoelen.

Wij moeten dus wéten, meegevoelen, wat vrijmetselarij is, alvorens haar vaandel te kunnen liefhebben.

Hare leuze van 'broederschap' is bekend genoeg en reden te over voor warme sympathie. Dat in de eerste plaats. Maar er zijn twee dingen, die velen practisch terughouden van aansluiting bij eene magonnieke orde : ten eerste feitelijke onbekendheid van wat er verder aan zulk eene orde vastzit, waartoe het lidmaatschap verplicht of leidt, benevens de moeilijkheid om duidelijke inlichtingen te krijgen; ten tweede het te veel monopoliseeren van de 'broederschap' in den zin van een 'collectief egoïsme', dat men hier en daar meent op te merken, en dat niet aantrekkelijk is voor wie idealiseert. Daarover werd reeds in het vorengenoemde opstel gesproken.

h !

Sluiten