Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kaatje deed zoo lief en lollig, Net een wandelende zoen.

Maar al was ze nog zoo mollig, Altijd hield ze d'r fatsoen.

Als een jongen d'r wou pakken, Zei ze: „Maak maar geen gedoe, „Naar mijn koonen mag je snakken, En de rest is van mijn Moei"

Refrein:

Kaatje, o Kaatje

Toe laat je fatsoen,

Met je lachen en je praatjes, \

Koejeneer je de soldaatjes > bis.

Van het heele garnizoen. )

Als de troep ging exerceeren, Kwam ze lachend op de stoep; Koppels, sabels en geweren, Beefden door de heele troep. De tamboer en horenblazer Maakten vreeselijk kabaal, De sergeant liep van ontroering Tegen een lantarenpaal.

Refrein.

Wat de jongens ook probeerden, Allen werden weggejaagd.

Heel 't garnizoen werd zeurig Door die akelige maagd.

Toen de commandant dat hoorde Werd haar 't verblijf ontzeid, Voor anti-militairisme En voor de neutraliteit.

Refrein.

Als ze 's morgens voor 'n boodschap Soms langs de kazerne ging; Fluisterde de stijve schildwacht, „Fijne, dikke lieveling 1"

Alles rondom de kazerne Maakte daadlijk halt en front.

En de heele wacht zong zachtjes Die daar in de houding stond.

Refrein.

Toen ze in den vreemde dwaalde, Smeekte ze om 'n soldaat; Zoenen, lachen, vrijen wou ze, Maar, helaas 1 't was te laat.

Alles had ze willen geven Om nog zoo bemind te zijn, Om nog eens te mogen hooren Dat verliefde prachtrefrein.

Refrein.

Sluiten