Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ter wijding van het Huis.

I.

In de hoede der Landvorstin.

Dierbaar klein land, dat in uw enge palen,

Omdonderd door het krijgsgedruisch,

In goddelijke Rust der Schoonheid glans doet stralen, Gewijde grond van 't weeld'rig. Vredehuis,

Hoe mild U toch de God des Vredes zegent!

Zijn glimlach gaat tot Haar, die, wijs en groot, De strijders van elk land gelijkelijk bejegent: — Op 't harnas Vredepalm én kruis, onbloedig rood!

Waar kon, in breeden stijl, een Kunstenhuis verrijzen In 't barnend felle Euroop', gedrenkt door broederbloed? Waar elders, dan in 't land, dat allen zalig prijzen, Omdat een fiere Vrouw zijn Eer én Vrede hoedt! —

Sluiten