Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III.

De stad van Oost en West.

O, stad, het hoofd in rondend' armen van blonde duinen zacht gevlijd, De stoere, slanke leden machtig naar bosch en weiland uitgespreid, Hoe sierlijk gaat door uwe straten het mooie meisje, mat van tint, Dat draagt in haar karbonkel-oogen den gloed van zon — gelukkig kind! — Dat brengt naar onze lauwe stranden de glorie van haar bruischend bloed, De gratie van haar losse leden,

haar ongetoomden levensmoed!

Waar voelt men inniger, dat Neêrland niet eindigt daar de landgrens ligt, Dan in de blonde stad, zoo pittig een achtergrond voor 't mat gezicht?

Hier voelt men dat de ware Schoonheid een zon is, die gansch d'aard omstraalt, Door bergen niet, noch oceanen in Haar Oneindigheid bepaald.

Hier zijn, in één Gebouw vereenigd, zinrijk, de Kunst van Morgenland Én die van 't Westen — hoe verscheiden toch één Geschenk uit Godes hand!

Sluiten