Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

Holland's weelde.

Noch eêl metaal, nóch steenen flonkerpralen,

Waardoor het tooverlicht van maan en sterren gloeit, Die zuiver aetherlicht in blauwe glanzen stralen,

Oerlicht der Schepping in facetten-wand geboeid,

Maar klei en zand en veen houdt onze bodem, drassig En vlak als woog de lucht den weeken grond te zwaar, Den polders, mateloos, doorsneên van wegen, plassig, Grenzend aan heien laag, met heuvels, hier en daar ....

Geen vogels, bont getooid, hier in het zonlicht spelen Wie 't eerst het oog verblindt, of die, in donker woud, De rollen van de hemellichten gul verdeelen ....

Doch dof gevedert' en dat zich verborgen houdt; Verscholen glanzend meesje en goudvink, zacht aan \ kweelen Met leeuw'rik, nachtegaal en and're zangers, bout.

En tóch een kleurenweelde als in geen land ter waereld, Eind'looze kleurenpracht in damp- en nevelkleed,

Dat van den hemel wolkt en bloem en blad ompaerelt Alsof van eng'lenhoofd ter aarde een sluier gleed;

Toch, wélk een kleurenpracht, als gloeien onze pelen, Wanneer het najaarsgoud den zonneglans verdooft En meertjes, riet omboord, de blanke wolken stelen En stille waterplas 't azuur den hemel rooft....

Sluiten