Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

Eenvoud onzer Kunstenaars.

Wanneer de sterren 'bleeken, de maan haar glans verliest,

en de eerste leeuw'rik uit zijn veld opvlerkt, om driest

uit te schallen zijn zang, dan ziet men vaak over de weien

een man komen, gebogen onder zijn last en rustend tusschenbeien

als om te speuren naar prooi: — rumoerig waterwild of rap konijn

Hij vindt zijn boot. Stapt in. Zou het een visscher zijn?

Gaat hij den zegen strekken of schepnet dalen doen Of spannen de fuik aan knoestigen stok? Hoort; het waterhoen Schreeuwt, vluchtend voor de boot. En zacht plassen de riemen, die 't grijze vel van slapend meertje nu bedachtzaam striemen.

Heel langzaam roeit de man. En poost. Zijn blikken gaan

Over het water, spiedend naar de rillende vaan

Van biezen en riet, naar oeverholten, grillig uitgeknabbeld

door golftanden gretig, naar de zwarte palen, omkabbeld

jaar in — jaar uit, nu verweerd, uitgehold tot een woón

voor schuwe dieren .... De man, behoedzaam, als voer hij doön,

Meert nu zijn schuit, bouwt zijn ezel van spichtige latten,

Werkt, rookend, rustig, tusschen vogels en visschen, die óp-spatten

doen, rondom zijn boot, waterparels, in ontwaken blij ....

Een Roelofs, een Maris, een Gabriël, een Weissenbruch is hij, de eenvoudige man, in armlijke plunje, onder de grootsten groot: die een onvergankelijk wonder nu wrocht in zijn wrakke bootl

Sluiten