Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In zijn eenvoudige herberg, des avonds, gemoet hij de vrinden,

die gingen van hutje tot huis om waarachtige schoonheid te vinden:

Een Neuhuijs, een Mauve en een Artz, een Blommers.... en soms brengt er meê de vriend van den polder, de hei, nog een verderen vriend: — van de zee! En onder de tochtige schouw, rookend hun pijpjes, de steenen,

Zeggen een Mesdag, een Israëls, lachend vaak, wat zij niet meenen:

hoe de Kunst is ondankbaar en wat zij dan wél wilden zijn,

Waren zij kunstenaars niet.... blij aan een maaiersfestijnI Vrienden van visscher en boer, van alle need'rigen. Medelevend hun leven en wet voelend d'eenvoudige zede.

In de huizen der rijken nu pralen, onvergelijkelijk schoon,

de versmade Hollandsche polder, d'armoedige visscherswoón,

de deel van den Brabantschen zwoeger, de hut van de Larensche heide, boven een Perzisch tapijt, dekkend een velum van zijdel —

Sluiten