Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

Aan de Stichters van het Huis.

De Macht, die welvaart brengt, doet balen vol koopwaar gaan van hand tot hand; doch niet alléén. Zij durft ook halen d'edelste vlam van zielebrand.

Zij toch, kan onze Kunst doen stralen — tot grooter roem van 't vaderland — Wijd buiten onz' al t' enge palen,

tot over 't verst gelegen strand.

Zij kan een vloek zijn; óók een zegen. Bloeit niet de Kunst op rijken grond? En slaat de lauwertak, gekregen in gouden vatting, wellicht wond den vleugel van 't genie? Of wegen wij lichter 't werk, dat kooper vondt? Mocht niet de Handel hém bevrijden dien allerergst de keten knelt: — den Kunstenaar, in vroeger tijden vaak in Beschermheer's dom geweld?

Waar wij dan ook voor hem zien strijden op vreemd — als eigen handelsveld, den kunst'naar Neuhuijs, voegt verblijden; daar broeder zich naast broeder stelt!

Sluiten